Het pand 'De Roos'
 
Museum ‘De Roos’ is gevestigd in een van de oudste panden van Geertruidenberg. Het gebouw dateert uit de 16e mogelijk 17e eeuw; waarschijnlijk is de grond reeds eerder bebouwd geweest. Het pand heeft een renaissance trapgevel, houten luiken en een voordeur bestaande uit een onder- en een bovendeur. Het pand ‘De Roos’ is, gelegen achter een dubbele rij lindebomen met zicht op een groot marktplein dat bestraat is met eeuwenoude kinderkopjes, een van de oudste historische objecten die het gelijknamige museum rijk is.


 
Markt 46 bij winter
 
Het historische gebouw, waarin Museum ‘De Roos’ is gevestigd, heeft een lange geschiedenis, tijdens de verbouwingswerkzaamheden in 2002 bijvoorbeeld is in een oude woonlaag van het pand een zilveren gehelmde munt, een ‘groot’ (halve stuiver), van graaf Willem V uit 1378 gevonden.
 
 
 
 
 
 
Deze vondst doet vermoeden dat de basis van het gebouw op zijn minst uit die tijd stamt. In de 16e en 17e eeuw is het pand een herberg, ‘De Roos’ genaamd, waar veel historisch belangrijke personen overnachtten. De in Rome geboren Spaanse opperbevelhebber Alexandro Farnese, ofwel de hertog van Parma, en de nieuwe gouverneur van de stad Geertruidenberg Lanchianzo, richtten er in 1589 een drinkgelag aan ter ere van het feit dat de stad - weliswaar door verraad - opnieuw in Spaanse handen was gevallen. Tijdens de belegering van Breda in 1625 logeerde prins Frederik Hendrik met zijn gevolg eveneens in ‘De Roos’.
Als de laatste herbergier in 1663 overlijdt, verkoopt zijn weduwe het pand aan een dominee. Tot aan 1823 bewoonden dominees, een brouwer, een lakenhandelaar, een gouverneur - de vader van Juliana de Lannoy, de Bergse dichteres - een korenmolenaar en een bierbrouwer het pand. In 1823 kwam ‘De Roos’ in het bezit van Jasper de Bruijn, een wijnhandelaar die later ook burgemeester van Geertruidenberg is geweest. Hij richtte ‘De Roos’ in als pakhuis en wijnstekerij en woonde zelf in het buurhuis, ‘Het Zwarte Lam’, op Markt 48. Zijn zoon Adriaan Leendert erfde het pand en diens zoon Godefridus verplaatste in 1907 de wijnhandel om commerciële redenen naar Rotterdam en erfde het pand na boedelscheiding. In 1920 schonk hij het pand - dat hij in een brief ‘het oude pakhuisje’ noemt - aan de gemeente Geertruidenberg met de uitdrukkelijke eis het te bestemmen voor algemeen culturele doeleinden. Bijna twintig jaar later, in 1938 en ter ere van het 725 jaar bestaan van de stad Geertruidenberg, was er voor het eerst een tentoonstelling van historische voorwerpen die door de Bergenaren ter beschikking waren gesteld. Daarna werd het weer stil in het pand. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Stedelijke Oudheidkamer heropend maar zou een kwijnend bestaan lijden. In 1973 stortte het dak van het inmiddels sterk verwaarloosde pand in en het bestuur legde het bijltje erbij neer. Na de restauratie van het dak werd het pand, geheel tegen de wens van G.A.M. de Bruijn in, verhuurd aan particulieren met als gevolg dat de inmiddels opgerichte Oudheidkundige Kring ‘Geertruydenberghe’ het pand terugeiste; in 1981 werd de Stedelijke Oudheidkamer weer heropend maar het pand voldeed op geen enkele manier meer aan de eisen van de tijd. Het stichtingsbestuur van de Oudheidkamer, het gemeentebestuur en de Woningstichting Geertruidenberg (WSG) besloten, met behoud van de voorgevel en andere waardevolle ruimten en fragmenten een heel nieuw museum te creëren. Op 3 april 2003 is het vernieuwde en vergrote museum officieel geopend. Mede dankzij de inzet van veel vrijwilligers is ‘De Roos’ sinds 2004 een officieel geregistreerd museum.