Het stadsrecht

Belangrijk om te weten is dat Geertruidenberg al een versterkte nederzetting met bepaalde voorrechten, een ‘oppidum’, was vóór zij het stadsrecht kreeg. Er was destijds al een omwalling met daar omheen een natte of droge gracht. Vermoedelijk was er toen al een stedelijke bestuursvorm, een ‘schepenbank’.
 
Niet duidelijk is wie die oude voorrechten heeft verleend; het kan de graaf van Holland geweest zijn, maar ook de hertog van Brabant, aangezien beiden het belang van de nederzetting inzagen.
                                                                                                                                          graaf Willem 1
Op 21 sept. 1213 schonk de Hollandse graaf Willem I stedelijke voorrechten ofwel het stadsrecht aan de inwoners van de versterkte nederzetting. Voorrechten waren o.a. het bouwen van muren om de stad, markt houden, tol heffen, eigen rechtspraak hebben, een eigen leger onderhouden en belastingen innen. De voorrechten maakten de steden rijk terwijl de leenman altijd een beroep op hen kon doen als hij geld nodig had. Wij zouden nu spreken van een win-winsituatie. Het stadje, strategisch gelegen op de grens van het graafschap Holland en het hertogdom Brabant, was aan drie kanten omgeven door de rivier de Donge waardoor het een moeilijk inneembare vesting was.
         
       
 

Het had een goede noord/zuid verbinding, maar daarvoor moest je wel de stad in en weer uit gaan.
De stadsrechten en alle rechten die daaruit voortvloeiden hebben veel welvaart gebracht, zo moest bijvoorbeeld alles wat werd verhandeld vanuit het Hollandse achterland (de Grote of Zuid-Hollandse Waard) in Geertruidenberg op de markt worden gebracht. De Sint-Elisabethsvloed in 1421 maakte rigoureus een einde aan de welvaart. Het duurde nog zeker een eeuw voor men ontdekte dat het ondergelopen land een rijk viswater was. Over de opbrengst van de vis werd de zgn. 20e penning ofwel 5% belasting geheven. De bloei van de stad keerde in zekere zin terug, maar het werd nooit meer als vroeger. Geertruidenberg behield wel haar strategische positie en werd op last van Prins Maurits in de 17e eeuw versterkt met grachten en wallen. De veiligheid binnen de stadswallen trok veel ondernemers aan zoals bierbrouwers, lakenwevers, wijnstekers, hoedenmakers en schippers. Geertruidenberg had een eigen rechtspraak, chirurgijns, een apotheek, scholen, een gasthuis voor zieken en opvang voor bejaarden en wezen. Met de komst van de Fransen in 1798 verloor Geertruidenberg al haar oude rechten en in 1815 werd het stadje bij de provincie Noord-Brabant ingedeeld.